AanbiedingenAccommodatiesVluchtenTravelPoort SpecialsOver GambiaOver TravelPoort

Zaterdag 17 mei 2008  
Thuispagina
Zoeken

  




Geschiedenis

De te vertellen geschiedenis van Gambia, althans wat daarover bekend is, staat in geen verhouding tot de hoeveelheid van geschiedkundige feiten die je op school hebt moeten leren over oude beschavingen, mythologie en, niet te vergeten, de vaderlandse geschiedenis. Dat wil niet zeggen dat Gambia geen geschiedenis heeft. Men heeft het niet opgeschreven, simpelweg vanwege het feit dat lezen en schrijven in het westelijke deel van Afrika niet aan de orde waren, vóórdat de Portugezen in de 15e eeuw Gambia ‘ontdekten’. Inderdaad, ‘ontdekten’ tussen aanhalingstekens. Die (islamitische) Portugezen waren op zoek naar een nieuw thuisland en vonden goud en andere waardevolle zaken. Wat in de loop van de tijd aan geschiedkundige feiten werd vastgesteld, is doordrenkt van geweld en, vooral, slavernij en kolonisatie.

Het was Hanno van Carthago die voor het eerst melding maakte van de rivier Gambia. Deze Carthaagse admiraal maakte vele reizen langs de Afrikaanse westkust, ongeveer 500 jaar voor Christus. Hij stichtte aan de noordelijke kust van Afrika, op de plaats waar thans Marokko ligt, enkele koloniën als uitvalsbases voor zijn tochten. Waarschijnlijk kwam hij tot het huidige Sierra Leone. In elk geval staat vast dat hij Gambia aandeed. Het heeft daarna nog meer dan 1000 jaar geduurd voordat Gambia bewoond, althans bereisd ging worden. De vroegste tekenen van beschaving dateren ongeveer uit het jaar 700. Een onbekend volk uit een onbekend land, liet omstreeks die tijd in de omgeving van het huidige Wassu, stenen achter die in de vorm van cirkels zijn geplaatst. Lange tijd bleef het een mysterie, temeer daar men ook op andere plaatsen, maar steeds aan de noordkant van de rivier Gambia dezelfde soort cirkels vond. De grootste vraag voor de geleerden zijn de stenen cirkels die in Kerr Batch, een dertigtal kilometers westelijk van Wassu, gevonden zijn. Tot nu toe zijn dit de enige ontdekte ‘cirkels’ waarvan enkele stenen in een V-vorm geplaatst zijn. De diepere betekenis van deze opstelling is vooralsnog onbekend. Er bestaan overeenkomsten met de beroemde Stonehenge-cirkels in Groot-Brittannië. Deze zijn echter veel ouder en aanmerkelijk groter. Bovendien hebben latere onderzoekingen in Wassu menselijke overblijfselen aan het licht gebracht, zodat men er van overtuigd is dat men met graven te maken heeft. Waarom er stoffelijke resten binnen én buiten de cirkels gevonden zijn is nog een raadsel, maar aangenomen wordt dat de belangrijkste personen binnen de cirkel begraven liggen. Duidelijkheid hieromtrent is er echter nog steeds niet. In een land als Gambia waar vroeger vele goden werden vereerd, doen talloze verhalen en anekdotes de ronde. Oók over de stenen cirkels van Wassu. Er is echter geen enkele aanwijzing dat een van de verhalen ook maar een kern van waarheid bevat. De enige duidelijkheid is dat het graven moeten zijn. Verder heeft men de zekerheid dat er geen sprake kan zijn van de resten van een nederzetting of fundamenten van een gebouw.
De geschiedenis, althans de geschiedschrijving, van Senegambia (Senegal en Gambia tezamen) is aan veranderingen onderhevig. Over de periode vóór de Portugese tijd (15e eeuw) is hoegenaamd niets opgeschreven. De geschiedenis werd doorgegeven in de vorm van verhalen, verteld door mensen die zich daarop toelegden, of door afstamming daarvoor aangewezen waren. Deze geschiedvertellers worden ‘griots’ genoemd. Waarschijnlijk zijn ze het best vergelijkbaar met de troubadours zoals wij die in vroeger tijden kenden. Het is dus niet verwonderlijk dat door onderzoekingen, onder andere door analyses van de Gambiaanse folklore en door moderne onderzoekstechnieken, voortdurend andere inzichten ontstaan in de Gambiaanse geschiedenis. Het was óók aan een griot, zij het een moderne versie ervan, te danken dat de geschiedenis van Kunta Kinteh werd geschreven. Alex Haley vertelt in zijn boek Roots over Kunta Kinteh, een jongen uit de stam van de Mandinka, die gevangen genomen werd en op transport werd gesteld naar de Verenigde Staten van Amerika, om daar verkocht te worden aan een plantage-eigenaar. In zijn streven om een zo juist mogelijk beeld te krijgen én te geven over de achtergronden, deed Alex Haley (een verre verwant van Kunta Kinteh) veel onderzoek in zowel Groot-Brittannië als in de Verenigde Staten en hielp zo mee om meer duidelijkheid te krijgen over de geschiedenis van Gambia. Het was hem echter in de eerste plaats te doen om duidelijkheid te krijgen over zijn komaf én over die van vele andere gekleurde Amerikanen. Inmiddels zijn ‘Roots-excursies’ en 'Home-coming-festivals' vanuit de Verenigde Staten behoorlijk populair.

In de middeleeuwen woedde in Europa een godsdienststrijd gericht op het verdrijven van de moslims. Ze werden verdreven door christelijke troepen en zo kon het gebeuren dat moslims uit Spanje en Portugal uitweken naar het zuiden. Ze kwamen ook terecht in West-Afrika, waar ze het door de Berbers verlaten en straatarme Senegambia ontdekten. De volkeren die er nog leefden waren arm en primitief, een gemakkelijke prooi voor de aan oorlog gewende en modern bewapende Europeanen.

In 1456, bijna 2000 jaar nadat Hanno van Carthago voor het eerst melding maakte van het land, voeren de Portugezen onder Henry de Navigator de rivier Gambia op en stichtten op een eiland in de rivier een handelspost. Ze noemden het Ilha de San André, naar een door hen daar begraven Portugese zeeman. Later werd het eiland omgedoopt tot Fort James eiland. Zo werden de Portugezen heersers over het gebied langs de rivier Gambia. Omdat velen van hen niet meer terug konden keren naar Portugal vanwege hun islamitische achtergrond, vermengden ze zich met de Gambianen, die ook de islam aanhingen. Er werd ook een nederzetting gesticht in Bakau, maar dat was om strategische redenen. Vanaf het hoogste punt kan men ver over de oceaan uitkijken.

Niet alleen uitgeweken (Portugese) moslims, óók ontdekkingsreizigers reisden door Afrika. Ze waren op zoek naar nieuwe gebieden om handel mee te drijven en met name specerijen waren een gewild artikel in die tijd. De ruilhandel was voor de Europeanen uiterst lucratief, iedereen kent de verhalen over kralen en spiegeltjes.

Inmiddels begon de slavernij de voor ons bekende vormen aan te nemen. Het waren echter niet de Portugezen die hiertoe de aanzet gaven, maar andere Europese volkeren. Met name de Spanjaarden hadden reeds de nodige ervaring opgedaan met de gevangenneming van mensen. Berbers en Turken werden door hen voor goed geld aan Europese families verkocht. Het duurde tot 1501 voordat de eerste slaaf Gambia verliet. Mondjesmaat werden mensen uit dit gebied naar Spanje overgebracht. De Britten ontdekten dat er groot geld met de handel in mensen te verdienen was en het eerste grote slaventransport vondt plaats in 1562. Niet naar Amerika (dat was nauwelijks ontdekt), maar naar Groot-Brittannië!

Tijdens oorlogen tussen volkeren (en dat was aan de orde van de dag) werden gevangenen gedood. Ze in leven houden betekende namelijk dat ze gevoed moesten worden, hetgeen men zich, gezien de grote armoede, niet kon permitteren. Slechts een enkel volk in dit deel van Afrika deed aan kannibalisme en dat gebeurde dan vooral op religieuze gronden.

Met de komst van de Europeanen kregen mensen plotseling betekenis als handelswaar. Gevangenen werden dus niet meer gedood, maar verkocht. In de beginperiode kocht men drie slaven voor één kameel, ondanks het feit dat het dier in dit deel van Afrika in ruime mate voorhanden was. De Berbers voerden hun handelswaar door de woestijn naar Tunesië waar ze op officiële markten werd aangeboden. De prijs was daar veel hoger en men kreeg wel drie kamelen voor één slaaf. Later werd er ook met wapens en luxe Europese artikelen betaald. De prijs steeg razendsnel. De handel in slaven werd zeer winstgevend en niet alleen krijgsgevangenen werden verkocht, maar ook criminelen uit het volk en zelfs eigen kinderen werden voor goed geld van de hand gedaan. Goed bewapende bendes gingen op strooptocht om zwarten te vangen en ontvolkten zo soms hele dorpen. Ook Kunta Kinteh, een vroege verwant van Alex Haley en een van de hoofdrolspelers in diens boek Roots, werd op deze manier buitgemaakt. Langs de rivier Gambia ontstonden depots voor slaven. Sommigen van hen moesten nog te koop aangeboden worden, anderen wachtten op transport naar het zuidelijke deel van de Verenigde Staten of West-Indië (het Caraïbisch gebied), waar ze op landerijen en plantages werden ingezet.

Na het eerste grote slaventransport richting Groot-Brittannië onder kapitein John Hawkins, volgen er nog vele honderden. Er bestaat geen enkele duidelijkheid over de hoeveelheid slaven die via Gambia Afrika verliet. Er werden zoveel mogelijk slaven in een schip geladen en onder erbarmelijke omstandigheden naar een andere wereld gebracht. Velen van hen overleefden de reis niet. Als aan boord van een schip een besmettelijke ziekte uitbrak, dan werden degenen die eraan leden én degenen die verdacht werden eraan te lijden, zonder scrupules overboord gezet. De meest gruwelijke verhalen doen over de transporten de ronde. De voorraad zwarten leek onuitputtelijk. De beroemde ontdekkingsreiziger Livingstone heeft eens gezegd dat slechts 10% van de aan boord gebrachte slaven de plaats van bestemming bereikte. Uit latere onderzoekingen is gebleken dat dit percentage aanmerkelijk hoger was, althans van degenen die vanuit West-Afrika het contonent verlieten, maar vast staat dat meer dan de helft van degenen die werden ingescheept de tocht niet overleefden. Naar schatting gingen tussen 1501 en 1856, het jaar waarin Amerika de slavernij afschafte, meer dan 12.000.000 zwarten in Gambia aan boord, en sleten in de zuidelijke staten van de Verenigde Staten en in het Caraïbisch gebied de rest van hun leven op katoen- en tabaksplantages. Als ze de tocht overleefden!

De hertog van Courland, van Duitse afkomst, bouwde in 1651 op het Portugese eiland Ilha de San André een fort. Van hieruit dreef hij handel, voornamelijk in slaven, met de heersers op de noordelijke oever van de rivier Gambia. Tien jaar later werd het eiland door Britse handelaars bezet en werd het omgedoopt tot Fort James eiland, naar de Britse vorst James III. De Britten hielden vreselijk huis aan beide zijden van de rivier Gambia, hetgeen resulteerde in een regelmatige vernietiging van het fort door vijandige volkeren en soldaten van andere nationaliteiten, zoals de Fransen. Onder het mom van handel terroriseerden de Britten de oevers. De handelaars noemden zich ‘de koninklijke avonturiers van de Engelse handel’. Ze bezetten ook een verderop in de rivier gelegen eiland en noemden het Dog (honden) Island. Ze ontleenden de naam aan het op blaffen lijkende geluid dat de oorspronkelijke bewoners, bavianen, maakten om hun belagers af te schrikken.

De Fransen, die al de nodige bezittingen hadden in Noord- en West-Afrika, waaronder een belangrijk gedeelte van Senegal, trachtten hun invloed uit te breiden tot dieper in het continent. In 1681 probeerden ze dat via de rivier Gambia en gingen, naar het voorbeeld van de hertog van Courland, overeenkomsten aan met de heersers op de noordelijke oevers. Voor vier staven ijzer per jaar huurden ze een strook grond op de noordelijke oever van de rivier Gambia en noemden het Albadarr, nog steeds de officiële naam, al wordt het doorgaans Albreda genoemd. Zo ontstond een Franse enclave binnen een al niet veel grotere Britse nederzetting dat weer midden in Frans gebied lag. De Britten kozen eieren voor hun geld en erkenden de Franse enclave. Een grote brand verwoestte Albadarr in 1686 en het werd door de Fransen verlaten. De Britten bezetten het gebied in 1689, maar zes jaar later eisten de Fransen hun bezit weer op. De Britten dachten er echter niet aan om hun nieuw verworven bezit zomaar weer prijs te geven en lieten de Fransen weten dat ze slechts levenloos het gebied wensten te verlaten, waarna ze een toost uitbrachten op koning James III. De Fransen hadden precies twee kanonschoten nodig om hen tot andere gedachten te brengen. Om hun superioriteit te bewijzen verwoestten de Fransen het tegenover Albadarr gelegen Fort James en maakten de kanonnen onklaar. Daarna verlieten ze het eiland weer.
De Britten herbouwden Fort James, maar voordat het gereed was sloegen de Fransen in 1702 opnieuw toe. Ditmaal eisten ze geld van de Britten voor het ‘beheer’ van het eiland. Men kwam overeen dat er 6.000 Britse ponden betaald zouden worden, te voldoen in drie termijnen. Britse bannelingen werden ingezet om het fort te herbouwen, maar dezen kwamen in opstand en ontvluchtten het eiland in 1708. Lange tijd zijn er strubbelingen geweest over het beheer van dit gebied. De Britten waren eigenaar van het strategisch gelegen Fort James eiland, de Fransen beheerden de noordelijke kuststrook. In 1725 ontplofte (op Allerheiligen!) het kruitmagazijn van Fort James en werd het opnieuw verwoest. Nu waren de Britten sneller dan de Fransen, want voordat deze beslag konden leggen op het eiland, hadden de Britten voldoende mankracht ter plaatse om hen tot andere gedachten te brengen. Het verdrag van Parijs van 1763 maakte aan veel onzekerheid een einde. Senegambia werd Brits, de Fransen mochten in Albadarr blijven. De eerste Britse gouverneur koos St. Louis, aan de monding van de rivier Senegal, als vestigingsplaats en stuurde een vertegenwoordiger, een zekere kolonel O’Hara naar Gambia. Deze koos Fort James eiland als vestigingsplaats, een andere plaats was in feite niet voorhanden. Hij kreeg het onmiddellijk aan de stok met de inboorlingen die nog op de noordelijke oever woonden. Deze, duidelijk door de Fransen beïnvloed, verdreven O’Hara en de Fransen bezetten in 1779 het eiland voor de zoveelste maal. Ditmaal bleven ze.
Het gedeelte van Albadarr dat onder Frans bestuur stond was een belangrijke plaats voor het inschepen van slaven. Zolang er geen transport was, werden de slaven ‘opgeslagen’ in depots. Het bewaken daarvan was een saai karwei en soms waren er maar twee soldaten om de slavenhuizen te bewaken. Het enige wat ze te doen hadden was het hijsen van de vlag op zondagmorgen en het weer strijken ervan op zondagavond. De vlaggemast werd van grote betekenis voor de slaven nadat Groot-Brittannië de slavernij afschafte. Het gebied stond toen inmiddels weer onder Brits bestuur en een elders ontsnapte slaaf die kans zag de vlaggemast te bereiken herwon daarmee zijn vrijheid. De vlaggemast werd daarom ‘freedom flagpole’, ‘vlaggemast van de vrijheid’ genoemd. Op de plaats waar ooit deze vlaggemast stond, staat nu een uit 1810 daterend 18-ponds kanon.

Het was duidelijk dat de Fransen hun belangen in het gebied door het verdrag van Parijs teniet gedaan zagen. Vele strubbelingen leidden tot het verdrag van Versailles, gesloten in 1783. Het kende Senegal toe aan de Fransen, Gambia aan de Britten. In die tijd bestond Gambia nog slechts uit de rivier Gambia en de stroken aan weerszijden ervan, tot aan Fort James eiland. De oorzaak was simpelweg gelegen in het feit dat men niet verder de rivier durfde te bevaren. Dat dit later tóch gebeurde is te danken aan Mungo Park, een boerenzoon uit Selkirk-shire, een avontuurlijk aangelegde jongeman. Als scheepsarts bevoer hij de zeeën en raakte in de ban van Afrika. Op verzoek van (vrij vertaald) de Stichting tot Bevordering van de Ontdekking van de Binnenlanden van het Continent Afrika, vestigde hij zich in Jillifree, het tegenwoordige Juffureh, even ten noorden van Albadarr, om van daar uit zijn missie te beginnen. Park had een paar idealen: hij wilde de oorsprong van de rivier Niger ontdekken en hij nam zich voor om als eerste blanke Timboektoe te aanschouwen.

In 1807 nam het Britse parlement een wet aan die slavernij verbood. De handel in slaven vanuit Gambia werd daarmee onmogelijk en een tijd van armoede brak aan. De grenzen stonden in die tijd nog allerminst vast en uiteraard maakten ook de oorspronkelijke bewoners aanspraak op het land van hun voorvaderen. Dat dit enigszins werd erkend blijkt uit de aankoop van een stuk land in maart 1816, door een kapitein van de Britse marine, Alexander Grant, die een eiland, eigenlijk een zandbank in de monding van de rivier Gambia, kocht van de koning van Kombo, Tumani Bojang. De prijs: 25 Britse ponden (andere verhalen spreken over een prijs van 103 ijzeren staven). Het eiland werd Bathurst genoemd, naar graaf Henry, derde graaf van Bathurst en van 1815 tot 1827 Brits minister van Koloniën. De officiële grenzen van Gambia werden vastgesteld tijdens de Berlijnse conferentie in 1884. Als oostgrens werd gekozen voor de plaats tot waar de rivier bevaarbaar was, de noord- en zuidgrens werden bepaald op een dagmars van de rivier Gambia vermeerderd met de afstand die een kanonskogel van een stuk zwaar geschut kon afleggen. Alleen in de kuststrook week men van deze regel af. De kust zelf eindigt in het zuiden bij de rivier Allahein. Historische banden tussen volkeren en hun vestigingsplaatsen maakten de vaststelling van de grenzen nabij de kust bijzonder ingewikkeld. Welke grens men ook zou trekken, de bewoners zouden er zich toch weinig van aantrekken. Dus besloot men ten noorden langs de kust de al genoemde afstand aan te houden en vandaar een rechte lijn oostwaarts te trekken tot voorbij het punt waar volkeren het de overheid moeilijk maakten. In het zuiden besloot men tot die bepaalde afstand vanaf de plaats waar de rivier zich landinwaarts begeeft. Lange tijd hebben de Mandinka, Wolof en Fula zich van de officiële grenzen niets aangetrokken. Waar de vestigingsplaats van het volk eindigde, daar hield het land op. Nog steeds vindt er grensoverschrijdend handelsverkeer plaats binnen de volkerengemeenschap.

Onder het bewind van de laatste Britse gouverneur, Sir Edward Windley werd het bezit van koloniën wereldwijd een fel bekritiseerde bezigheid. Op aandringen van vele landen gaf Groot-Brittannië Gambia op als kolonie en gaf Sir Edward opdracht om de eerste verkiezingen voor te bereiden. Op 4 oktober 1963 startte men de voorbereiding op de onafhankelijkheid, wat op 18 februari 1965 binnen het Britse Gemenebest werkelijkheid werd. In 1966 trad de eerste (nog steed Britse) gouverneur aan van Gambiaanse afkomst: Alhaji Farimang Mamadi Singhabeh. Het land werd in 1970 zelfstandig.

Het had niet veel gescheeld of Senegal (óók niet meer onder Frans bestuur) en Gambia waren als de republiek Senegambia samen verder gegaan. De landen tekenden een samenwerkingsverdrag daartoe in 1967. Dit werd echter ruim 20 jaar later, op 30 september 1989, opgezegd. Senegal was van mening dat Gambia zich te langzaam ontwikkelde. Misschien was dat wel zo. De Gambianen waren trots op hun kleine landje en blij met alles wat de Britten achtergelaten hadden. Natuurlijk hebben zij veel gemeen met de Senegalezen, ze hebben dezelfde voorvaderen, hun geschiedenis loopt vaak parallel. De manier waarop Senegal invloed wilde uitoefenen op de ontwikkeling van het gebied, was echter niet in overeenstemming met de ideeën die Gambia daar zelf over had, zodat men besloot om zelfstandig te blijven.

Toen Gambia in 1965 binnen het Britse Gemenebest zijn onafhankelijkheid kreeg, werd Sir Jawda Jawara premier. Na het uitroepen van de onafhankelijke republiek Gambia werd hij de eerste president van het land. De bevolking droeg hem op handen en de verontwaardiging was dan ook groot toen in juli 1981, terwijl Jawara in Groot-Brittannië verbleef, een samenzwering tegen hem ontdekt werd. Gambia had nog geen eigen leger, voor militaire zaken was het land geheel afhankelijk van Senegal. Er was geen noodzaak voor een eigen leger, Senegal en Gambia zouden ooit één republiek worden. Teneinde de president enige bescherming te bieden en om zich te wapenen tegen een ongewenste machtsovername, werd een ‘krijgsmacht’ geformeerd. Leger, marine en luchtmacht tezamen waren 200 man sterk, aangevuld met 100 man politie. De politiesterkte kwam daarmee op 700.

Later breidde ook de krijgsmacht zich uit tot 800 man en dat betekende het einde van de macht van Jawara. In juli 1994 werd hij, op verdenking van corruptie, aan de kant gezet en verbannen. Zijn bezittingen werden verbeurd verklaard. Vanaf die tijd berust de macht bij het leger, aangevoerd door de toen 29-jarige luitenant, later kapitein Yahya A.J.J. Jammeh. Deze beloofde om binnen zes maanden algemene verkiezingen uit te schrijven en de democratie te herstellen. In de praktijk kwam hier niets van terecht en beruste de macht tot na de algemene verkiezingen bij de militairen. De voorbereidingen voor de algemene verkiezingen die in juli 1996 gehouden moeten worden, zijn inmiddels in gang gezet. De militaire regering bestaat overigens voor twee derde deel uit burgers.
Groot-Brittannië greep in en haalde alle toeristen uit Gambia terug, daarin gevolgd door Denemarken en de Scandinavische landen. Voor een land dat volop bezig is zijn toeristenindustrie gestalte te geven is het vertrek van 60% van de toeristen een klap die hard aankomt. De militairen hadden nóg een kapitale fout gemaakt door onderhandelingen te openen met Libië over het aangaan van diplomatieke betrekkingen met dat land. De onderhandelingen werden onder druk van de buitenwereld al snel weer afgebroken. Na enkele jaren trok Groot-Brittannië zijn boycot, (officieel: ‘negatief reisadvies’) in maar het heeft tot november 1995 geduurd voordat de echte stroom toeristen weer op gang kwam. De Gambiaanse regering doet er echter alles aan om te voorkomen dat de Britse invloed op het toerisme weer dezelfde omvang krijgt. In 1996 en 1997 werd de parlementaire democratie hersteld. Achtereenvolgens werd een kiezersregister aangelegd, vond een referendum over grondwetswijzigingen aan de bevolking plaats en werd een president gekozen. Jammeh, leider van de staatsgreep in 1994, die in 1996 zijn militaire functies had neergelegd, werd met grote meerderheid als nieuwe president gekozen. Tenslotte vonden algemene verkiezingen plaats voor de volksvertegenwoordiging.
De republiek Gambia is een zelfstandige staat, maakt deel uit van het Britse Gemenebest en is lid van de Verenigde Naties. Verder maakt ze deel uit van de Unie van Onafhankelijke Afrikaanse Staten en Ecowas, de Economische Gemeenschap van Westafrikaanse Staten. Bovendien is ze lid van de Afrikaanse Commissie voor Mensen- en Volkerenrecht.

 Terug